Bijzondere jeugdzorg

‘Elk kind heeft recht op opvang, geborgenheid, veiligheid en continuïteit.’

In augustus 1970 besliste het algemeen bestuur om, in uitvoering van de besluiten van het vernieuwingskapittel, een experiment op te starten in de sector van de gehandicaptenzorg. Zuster Mia Gonnissen, op dat moment directrice van de school in Brussel-Pioenstraat, kreeg de opdracht om een aantal maanden te gaan werken bij mentaal-gehandicapte meisjes in het medisch-pedagogisch instituut van de zusters franciscanessen in Oosterlo. Op grond van haar ervaringen konden het kapittel en het algemeen bestuur dan concrete plannen maken rond de inzet van de congregatie in de sociale sector. Zr. Mia benadrukte dat ze, in het licht van de scholing en de achtergrond van de zusters, enkel apostolaat bij opvoedbare, verwaarloosde jeugd mogelijk zag. Zusters die toch in de gehandicaptenzorg wilden werken, hadden nood aan een grondige herscholing.
In het daaropvolgende jaar lichtte zr. Mia de sector van de verwaarloosde jeugd door. Zij bezocht een 40-tal instellingen in Vlaanderen en rapporteerde haar bevindingen opnieuw aan het algemeen bestuur. Inmiddels waren de eerste vragen voor zusters binnengekomen vanuit een aantal bestaande initiatieven. In de zomer van 1971 startten twee zusters in Home Prinses de Mérode in Kasterlee, een tehuis voor ongehuwde moeders, twee zusters in Onze Kindjes in Antwerpen, een tehuis voor jongens tot 14 en meisjes tot 21 jaar, en vier zusters in het Onthaal in Rijmenam, een onthaalcentrum voor minderjarigen.
De eerste jaren werd gezocht naar een geschikte formule. Antwerpen werd opgegeven, Kasterlee en Rijmenam kregen extra krachten.

Gerijpt door de eerste ervaringen, nam de congregatie in juli 1973 het jeugddorp Monte Rosa in Kessel-Lo over van de dominicanessen van Bethanië uit Venlo. Zeven zusters namen er de zorg op zich van zo’n 40 sociaal verwaarloosde kinderen. Dat jaar kwam ook de eerste eigen ‘stichting’ van de congregatie van de grond: Home Drakenhof in Deurne. Dit legde zich specifiek toe op de opvang van minderjarige, werkende meisjes.

Zusters die de overstap hadden gemaakt naar de sociale sector en die het nieuwe apostolaat konden gewoon worden, waren tevreden en ervoeren hun nieuwe taak als een voortzetting van Donches werk. Het kapittel van 1974 kwam tot het besluit dat betreffende de homes voor verwaarloosde jeugd voorlopig eerder kwalitatief dan kwantitatief aan de uitbouw dient gedacht te worden. Het werk in de tehuizen kende sinds 1973 geen verdere uitbreiding.