Calasanz uitgebreide versie

In 1556 stierf Ignatius van Loyola, de stichter van de orde van de jezuiëten, die zich ook toelegden op het onderwijs van de jeugd.
In hetzelfde jaar werd Jozef van Calasanz geboren, de stichter van de orde van de piaristen. Het onderwijs zou ook voor hem een levenswerk worden.

Als jongste van 5 kinderen werd hij geboren op het kasteel van Calasanz in Aragon. Zijn ouders, echte Spanjaarden, voedden hun kinderen op in een geest van christelijke eenvoud en ridderlijke kracht.

Jozef zou deze christelijke traditie verderzetten. Als kind leerde zijn moeder hem bidden. Zijn vader stemde erin toe hem te laten studeren: de studie van recht, zowel burgerlijk recht, als kerkelijk recht. Hij maakte zeer grote vorderingen in zijn studie, werd graag gezien en geëerd om zijn voorbeeldig gedrag en zijn werken van naastenliefde.

In 1575 werd Jozef in de geestelijke stand opgenomen. Jozef legde de gelofte van zuiverheid af. In Valencia vatte hij theologiestudies aan, te Alcala. Daar vernam hij de dood van zijn broer Pedro en de dood van zijn moeder. Zijn vader wou nu Jozef terug halen naar het ouderlijk kasteel. Doch Jozef werd uitgenodigd om ‘socius’ van de bisschop te worden, d.w.z. zijn raadsman en secretaris.

Zijn vader stelde hem voor om te huwen om het geslacht verder te zetten. Jozef verkeerde in tweestrijd. Zozeer dat hij ziek werd. Zijn vader deed God de belofte dat indien hij zou herstellen, hij priester zou worden. Hij herstelde. In 1583 werd hij tot priester gewijd.
Hij werd aangesteld als secretaris en raadsman van de bisschop. Hij werd enige tijd nadien naar huis geroepen voor zijn stervende vader.

Later werd hij opgenomen in het ambt van rechter, vicaris-generaal, bisschoppelijk visitator in een niet meer katholiek gebied. Daar streefde hij heel hard naar de geestelijke vernieuwing van deze streek waar hij ook in slaagde. Maar, een inwendige stem liet hem niet met rust.
Deze zei hem: ‘Ga naar Rome’! In 1592 reisde hij naar Rome – als een pelgrim. Daar werd hij opnieuw raadsman, deze keer van een kardinaal. Hij werd tevens visitator van de ‘broederschap der 12 apostelen’. Deze hield zich bezig met liefdadigheid onder de armen. Hij werd bovendien lid van het gezelschap van de scholen der christelijke leer, de Doctrinarii: een vereniging van priesters die kinderen en volwassenen systematisch onderrichten in de christelijke leer.

Rome werd echter getroffen door een pestepidemie. Jozef ging er op uit om de eenzame zieken te helpen, te troosten, te begraven.

Jozef was ook getroffen door het lot van de straatkinderen. Geen enkele school wilde hen opnemen. Jozef meende nu zijn roeping gevonden te hebben. Voor Baptiste de la Salle en Don Bosco plaatste Jozef zich in een lange rij van opvoeders en stichtte de eerste kosteloze armenschool van Europa. Twee priesters, Doctrinarii, werden zijn eerste helpers en zo kon tegen het einde van 1597 door de goedkeuring van Paus Clemens VIII het werk groeien. ‘Scuole pie’ noemde hij zijn scholen: ‘vrome scholen’. Hij sloeg ere-ambten af, zelfs een bisschopszetel.

In 1600 werd Jozef ‘prefect van de christelijke scholen’: een toekomstige congregatie voor priesters. Jozef verkreeg de steun van de paus en van kardinalen. Doch herhaaldelijk namen onderwijzers ontslag omdat zij na gevormd te zijn tot goede leerkrachten, elders wilden onderwijzen en geld verdienen. De scholen van Jozef raakten echter steeds meer en meer bekend en genoten goede faam. Ook jongens van mindere afkomst werden tot de school toegelaten. Zo haalde Jozef echter veel afgunst op de hals. De kardinalen deden inspectie in de scholen. Toen bleek dat de laster helemaal niet op feiten steunde.

In 1606 telden de scholen 900 leerlingen en 18 onderwijzers.

De leerkrachten vreesden echter voor het beheer van de scholen, omdat Jozef – goed als hij was – bleef doorgaan met geld uitgeven voor armen en zieken. Doch Jozef gaf hun een lesje in ‘roekeloos Godsvertrouwen’. Hij raakte steeds aan het nodige geld. In 1612 telde de school tenslotte 1200 leerlingen.

Jozef zocht echter aansluiting bij een congregatie om zijn werk te vrijwaren voor de toekomst. Zijn keuze viel op de Congregatie van de Moeder Gods.
Deze nam het bestuur van de christelijke scholen op zich. Deze congregatie echter was uitdrukkelijk opgericht voor het onderwijs aan arme kinderen. Dit maakte dat meer welstellende ouders hun kinderen terugtrokken uit zijn scholen.

In 1617 vroeg Jozef dan ook opnieuw de scheiding aan van deze 2 congregaties, hij richtte de Paulinische Congregatie voor de christelijke scholen der armen op. De leden van deze congregatie legden eenvoudige geloften af en stonden onder de gehoorzaamheid van Jozef van Calasanz. Er werd geen woord meer gerept over het uitsluitend opnemen van arme kinderen. Hij zelf had de bevoegdheid om 14 van zijn gezellen op te nemen in die congregatie.

In 1618 legde Jozef eenvoudige kloostergeloften af. In 1621 werkte hij constituties uit voor de congregatie. Bovendien ijverde hij ervoor dat de leden ook een vierde gelofte af zouden leggen nl. de gelofte van onderricht ter liefde Gods. Ze aanvaarden geen enkele betaling voor hun werk. Ze noemden zich ‘Piaristen’.

In 1622 werd Jozef benoemd tot generaal-overste van de orde. Een zekere Massini, bezorgde hem veel last. Deze man, vroeger religieus, gaf zich uit als commissaris van de Piaristen. Het geld dat hij kreeg besteedde hij echter voor eigen doeleinden. Het bedrog kwam uit, maar Jozef leed onder de smaad van de orde.

In 1632 werd Jozef aangesteld tot generaal voor het leven. Maar onder de broeders groeide ontevredenheid. Zij eisten het priesterschap en het recht in het kapittel te zetelen. Jozef dacht er niet aan om hierop in te gaan. 

Mario Sozzi, een lid van de orde der Piaristen, berokkende Jozef Calasanz veel last. Deze belasterde Jozef bij de Inquisiteurs. Jozef, 86 jaar oud,werd als een boosdoener door de drukke stad Rome weggevoerd. 

In 1643 werd Jozef uit zijn ambt ontzet en hij kreeg het verbod om nog novicen aan te nemen. Sozzi stierf aan een vreselijke ziekte. Sozzi had tijdens zijn bestuur slechts één doel gehad: de orde uitroeien. Daarom duidde hij vlak voor zijn dood een slechte opvolger aan: Cherubini, zijn medestander.
Er woedde een hevige strijd om het voortbestaan van de orde.
Tevergeefs, in 1646 maakte men bekend dat de orde werd teruggebracht tot congregatie zonder enige geloften. Dit was de zwaarste slag in zijn leven. Zijn levenswerk, zo leek het toch – werd door het uitvaardigen van dit besluit –  in één klap vernietigd. Omdat hij een heilige was droeg hij de smaad omwille van de naam van Jezus. Velen verlieten de congregatie en scholen gingen dicht door gebrek aan opvoedend personeel. 
Cherubini maakte zich schuldig aan het vervalsen van kasboeken. Maar ook Cherubini stierf aan de vreselijke ziekte die ook Sozzi getroffen had. Voor hij stierf vroeg hij Jozef nog om vergiffenis voor het aangerichte leed. 
Jozef werd toen door de bevolking opnieuw op handen gedragen – vooral toen bleek dat Jozef genezingen verrichte door middel van handoplegging.
Jozef leek voortdurend te bidden, steeds was zijn hart en zijn denken op God gericht. De mensen vereerden hem als een heilige in zijn laatste levensdagen.

Jozef Calasanz stierf op 25 augustus 1648.