Epiloog

Epiloog

In deze bondige epiloog komen de zusters van Vorselaar zelf aan het woord. Zij willen de lezer meedelen hoe zij anno 1996 zichzelf zien.
Zij drukken meteen ook hun diepste verlangen uit, namelijk hoe zij graag zouden zijn. Vanuit welke geest leven zij? Hoe is hun spiritualiteit in de huidige levenscontext verankerd of… staat die daarmee in contrast? Wat betekenen voor hen ‘zending en ‘gemeenschap’, de twee pijlers waarop, naast het volgen van de evangelische raden, het actieve religieuze leven rust? En tenslotte plaatsen zij zich op de overgang van gisteren naar morgen om… te kijken naar de toekomst.

Een voortschrijdende secularisatie onttovert de wereld, emancipeert de mens en …’maakt God overbodig’. Nochtans blijft bij velen een zeker religieus gevoel leven. Die vage religiositeit mondt echter niet noodzakelijk uit in een christelijk geloven. Immers, een multiculturele samenleving biedt een brede waaier van filosofieën, religieuze stromingen en godsdiensten aan.
Zich in waarachtigheid tot de christelijke godsdienst bekennen vraagt daarenboven een sterk levensengagement. Wie vandaag christelijk wil leven, kan dat enkel vanuit een beproefd geloof. De secularisatie daagt ons uit, God en de wereld in hun eigenheid te erkennen en anderzijds ook resoluut godsdienst als dienst aan de wereld en de mensen waar te maken. De pluraliteit leert ons ook bij anderen waarheid en waarden te ontdekken,
nodigt ons uit tot respect en loyale samenwerking, zonder onze eigenheid
prijs te geven.

Vanuit die context pogen wij als apostolische religieuzen in de katholieke Kerk van vandaag Jezus te volgen. Wij realiseren ons dat die Kerk veel van haar macht heeft ingeboet en dat religieuzen onaanzienlijk zijn geworden in de maatschappij. Maar dat besef biedt ons een kans tot gelouterde vrijheid en bewustere toewijding. Want wij geloven dat in Jezus van Nazareth God zich op een allesovertreffende wijze heeft geopenbaard als een God van liefde en trouw.  Gods liefde heeft Hem opgewerkt uit de dood. Vanuit dit geloof mogen en durven wij leven naar een beloftevolle toekomst: onze God is de God der goden, een God van mensen.

In Jezus’ leven, dood en verrijzen wordt voor ons duidelijk wat mens-zijn ten diepste toe betekent. Jezus roept ons op, om zoals in Hem ook in ons Gods liefde te laten leven en met mensen begaan te zijn. Jezus navolgen is opnieuw geboren worden. In Jezus’ Geest kunnen mensen ten volle mens worden en hebben zij eeuwig leven. Die waarheid wordt o.m. bezongen in Paulus’ “Hooglied van de liefde” (1 Kor 13). Deze lofzang raadt ons aan de oude mens in ons te laten sterven en de nieuwe, onvergankelijke mens volop de kans te geven in onze gedragingen tegenover medemensen.

De liefde is lankmoedig en goedertieren.
De liefde is niet afgunstig.
Zij praalt niet en beeldt zich niets in.
Zij geeft niet om de schone schijn,
zij zoekt niet naar wat haar niet aangaat,
zij laat zich niet kwaad maken,
en rekent het kwade niet aan.
Zij verheugt zich niet over onrecht,
maar vindt haar vreugde in de waarheid.
Alles verdraagt zij, alles gelooft zij,
alles hoopt zij, alles duldt zij.
De liefde vergaat nimmer.

Dat Paulus’ woorden in het leven van de zusters van Vorselaar werkelijkheid zouden worden, was het vurige verlangen van stichter Lodewijk Vincent Donche, die hen vroeg ze vaak te overwegen omdat hier een weg wordt getoond die alle andere overtreft (vgl. 1 Kor 12,31). Deze tekst, die voluit op het leven van Jezus kan worden gelegd, is vandaag niet achterhaald. Ook in de huidige ‘post-christelijke tijd’ blijft hij brandend actueel.

Zending

Bij ons, apostolische religieuzen, staat zending centraal in het leven.
Christen-zijn is delen in de zending van Jezus, die zich heeft ingezet voor het heil van de mensen.

Als christenen worden wij gezonden
om met ons eigen leven
het bevrijdende Jezusgebeuren
in deze wereld voort te zetten
en te getuigen van de hoop die in ons leeft.
Christus heeft ónze handen nodig
om vandaag zijn bevrijdingswerk te doen,
ónze mond
om over Gods liefde en trouw te verhalen.
(Constituties, nr.35)

Daarom willen wij in evangelische eenvoud en liefde mensen nabij zijn,
opdat mede door onze aanwezigheid mensen worden opgebeurd.
Vanuit een christelijke levensvisie de armen optillen tot het niveau van een volwaardig menselijk bestaan, was ook de hoofdbetrachting van Donche.
Door hem geïnspireerd richtte gravin van de Werve della faille in 1820 de ‘armenschool’ op te Vorselaar. Zoals uit de oorsprong en uit de verdere geschiedenis van onze congregatie blijkt, is ons apostolaat dan ook sterk gericht op scholen: onderwijs en christelijke opvoeding voor de volksjeugd.

Dat doel heeft ons in de loop van de tijd telkens voor nieuwe uitdagingen geplaatst, heeft ons met onze talenten doen woekeren, heeft ons strijdvaardig en grootmoedig gemaakt. In het verlengde van die oorspronkelijke
doelstelling werden in de laatste decennia ook homes voor sociaal benadeelde jongeren opgericht.

Nu het plaatselijke bestuur van die instellingen praktisch overal in handen van leken is overgegaan en zelfs voor vele de juridische verantwoordelijkheid is overgedragen of samen met anderen wordt waargenomen, zijn wij bezorgd dat vanuit het charisma van onze stichter de waarden van een christelijk opvoedingsproject worden doorgegeven en blijven leven. Wij willen die christelijke opvoeding blijven steunen door onze bijstand in beleid en beheer door organisatorische hulp en pedagogische begeleiding.

Wij hopen dan ook dat in die katholieke instellingen door een
persoons bevorderende aanwezigheid van leraars en opvoeders,
kinderen en jongeren in een klimaat van veiligheid en gastvrijheid,
van hartelijkheid en liefde kunnen groeien naar volwassenheid en inzet voor een betere wereld. Wij hopen dat scholen en homes ‘open deur’ zijn, zowel naar binnen als naar buiten, dat drempels laag zijn en afstanden klein,
dat men er attent is voor het milieu waaruit de jongeren komen,
dat men poogt mee te leven met de onmiddellijke omgeving van de buurt en de ruimere omgeving van de wereld. Wij hopen dat er ruimte blijft voor bezinning, voor viering en christelijke duiding van de werkelijkheid.
Daarom zijn wij, zoals dat in het verleden in hoge mate het geval was,
ook vandaag nog bijzonder begaan met het godsdienstonderwijs en de catechese en maken daarvoor naar best vermogen mensen en middelen vrij.

De zending van onze zusters evolueert de laatste tijd ook meer naar apostolaat buiten de eigen instellingen. Wij proberen er in loyale openheid met anderen samen te werken in de parochiepastoraal, in meer uitgesproken sociale sectoren, bij allerlei onthaal van mensen. Zusters ontdekken in het sociale en pastorale apostolaatsveld vaak een eigentijdse roeping die aansluit bij concrete vragen die leven in de huidige Kerk en maatschappij.
Zij actualiseren er o.a. ook mee de pastorale bewogenheid van onze stichter ten aanzien van arme zieken. Er zijn ook zusters die door hun dienst aan bejaarde en zieke medezusters Gods menslievendheid trachten te vertolken. Als jezuïet spoort Donche ons aan, volgens Ignatiaanse geest, in gebed en in gesprek met oversten en medezusters te onderscheiden, waar en hoe wij vandaag met onze mogelijkheden en beperktheden op actuele noden kunnen ingaan en mensen nabij kunnen zijn. Zo is elk apostolaat ook een zending vanuit de congregatie. Als ziekte of ouderdom ons in onze activiteit hinderen, blijven wij door gebed, door zusterlijke liefde en door interesse voor de zending apostolisch vruchtbaar.

Wat Donche bedoelde met de congregatie en waarvoor doorheen de jaren zovele zusters, samen met anderen, hun beste krachten hebben ingezet, pogen wij vandaag ook waar te maken met onze zending in de Kerk van Latijns Amerika. Belgische en Venezolaanse zusters laten zich oriënteren door Jezus die zegt: ‘Ik ben gezonden om aan de armen de Blijde Boodschap te brengen’. Wij wonen en werken in volkswijken en in eenheid met de lokale Kerk willen wij dienst zijn aan de meest hulpbehoevenden.
Vertrekkend van de concrete werkelijkheid van het volk proberen wij actief mee te werken aan de evangelisatie van het volk. Ingeschakeld in de parochiepastoraal bezoeken onze zusters zieken, ouderen, gevangenen en proberen gemeenschappen te vormen waar solidariteit en broederlijkheid gestalte krijgen. Catechese van kinderen en jonge mensen, vorming van catechisten en begeleiding van familiecatechese zijn een opdracht waaraan wij vanuit het charisma van de stichter voorrang verlenen. Omdat onze Venezolaanse medezusters sterk bewust zijn dat onderwijs en opvoeding krachtige middelen zijn tot bevrijding van hun volk, werken wij onder hun impuls ook mee met ‘Fe y Alegria’, dat de volksopvoeding in Latijns-Amerika organiseert en begeleidt.

Bij ons leven en werk in Latijns-Amerika houden wij voor ogen dat wij, Europeanen, in Venezuela ‘te gast’ zijn, bij een volk dat vriendelijk en fier van aard is. Wij laten er ons leiden door een houding van waardering en respect voor elke mens, vooral voor hen die in volkswijken en marginale zones in mensonwaardige omstandigheden leven; door een houding van openheid en deemoed om ons te laten evangeliseren door de armen. Vooral de voorkeursoptie voor de armen willen wij veilig stellen.
Wij willen in Latijns-Amerika intreden in een acculturatieproces dat de rijkdom, het specifieke van de inheemse cultuur in en langs het evangelie doet groeien. Wij willen daarenboven de verzelfstandiging van Vorselaars ‘delegatie’ in Latijns-Amerika bevorderen. Wij zullen in de nabije toekomst stap voor stap de verantwoordelijkheid van de Venezolaanse zusters bij hun religieuze vorming, bij hun apostolaat, bij het bestuur van de lokale gemeenschappen en van de hele ‘delegatie’ vergroten.
Met de nieuwe stichting vanuit Venezuela in de Dominicaanse Republiek (1996) willen we tevens aan onze Venezolaanse zusters expliciete kansen geven om de missionaire roeping van de Latijns-Amerikaanse Kerk te beleven. 

Bij dit alles is wellicht duidelijk geworden dat zending waar ook ter wereld een samenwerking veronderstelt van mensen die vanuit eenzelfde inspiratie willen leven en zich inzetten. Het verheugt ons dat de laatste tijd een aantal leken inniger deelachtig willen worden aan de spiritualiteit van onze congregatie, om ze in hun persoonlijk leven, in onze apostolaatsinstelling of waar ook vruchtbaar te laten zijn. Wij hopen dat hun bezieling en ijver ons wederzijds zullen aanzetten tot grotere toewijding en oprechte beleving van het religieuze-zijn.

Gemeenschap

Binnen de gemeenschap van de Kerk
zijn wij in onze congregatie
op een bijzondere wijze tot een familie in Christus verenigd
en met elkaar als zusters verbonden.
(Constituties, nr. 44)

Wij hebben elkaar niet gekozen. Jezus roept ons en brengt ons samen in de Kerk, in de congregatie. Hij verenigt ons in ‘familie’: door ons geloof in Christus zijn wij met elkaar verbonden. Wij ‘horen samen’, omdat wij door Hem ‘samengeroepen’ zijn om in de congregatie van Vorselaar de evangelische raden van maagdelijkheid, gehoorzaamheid, armoede te beleven; samengeroepen om door ons leven en werk bij de mensen heil te brengen. Ons samenzijn van geroepenen is leven van hetzelfde Woord en van dezelfde Geest. Die eendracht van geest en geloof willen wij héél tastbaar concretiseren in de plaatselijke zustergemeenschappen, waar de dagdagelijkse zusterlijke liefde en hartelijkheid de toetssteen zijn van onze religieuze toewijding.
Onze gemeenschap vindt steunpunten in momenten van samen bidden, vieren en maaltijd houden. Zij put haar kracht vooral uit de telkens herhaalde zusterlijke vergeving van elkaars zwakheden en tekortkomingen. Door communautair gesprek bezinnen wij ons over onze roeping en zending. Door dialoog trachten wij elkaar beter te begrijpen en verschillen van aanleg en aanvoelen, van werk en leeftijd gemakkelijker te overbruggen.

In Vlaanderen bedreigt de hoge leeftijd van zusters zeker de leefbaarheid van een aantal gemeenschappen en er moet naar oplossingen worden gezocht, die soms pijnlijk kunnen zijn. Wij blijven echter zo lang mogelijk aanwezig daar waar de gemeenschap apostolisch dienstbaar kan zijn.
Sporadisch kan ook hier en daar nog een nieuwe gemeenschap ontstaan op vraag van buitenaf of van binnenuit, omwille van het leven dat roept.
In Latijns-Amerika is het multiculturele samenleven in de communiteiten een uitdaging. Het vraagt intreden in elkaars gewoonten en gebruiken om zich aan elkaars aard en cultuur te kunnen verrijken.

‘Zie, hoe zij elkaar liefhebben’ kenschetst het leven van de eerste christenen. Donche wil daarom dat de zusterlijke liefde de kenmerkende eigenschap van onze congregatie zou zijn. Van die liefde ziet hij terecht het ‘welgelukken’ van ons apostolaat afhankelijk. In de brief van 6 oktober 1831 duidt hij het apostolaat van de congregatie als een liefdewerk en voegt eraan toe:
‘nooyt kan dit liefdewerk goeden uytval hebben, tenzij de zusters gedueriglijk trachten de grootste en zoetste liefde tot elkanderen te oeffenen, onaengezien elks gebreken en onvolmaektheijd’.

De vriendschap in de gemeenschap en tussen de gemeenschappen is daarom voor ons van cruciaal belang. Om die vriendschap en de gemeenschapsgeest te voeden, worden allerlei samenkomsten georganiseerd. Op het jaarlijkse congregatiefeest zien we elkaar in Vorselaar met heel velen vol vreugde weer. Wij willen daarenboven dat de banden met Latijns-Amerika stevig zijn, daarom cultiveren we een daadwerkelijke interesse voor onze zending overzee. Een heel apart gemeenschapsgebeuren is ook het driejaarlijks algemeen kapittel, dat de situatie van de congregatie bespreekt en de beleidsvoering voor de nabije toekomst bepaalt. De voorbereiding en de verwerking ervan worden door het algemeen bestuur in alle geledingen van de congregatie gestimuleerd. Van zusters die in de congregatie of in een communiteit de verantwoordelijkheid van het gezag dragen, wordt verwacht dat zij die trachten te beleven naar het voorbeeld van Jezus, wiens gezag uitsluitend berust op zijn onvoorwaardelijke dienst aan het geluk van mensen. De evangelist Johannes verhaalt dat Jezus in het zicht van zijn nakende dood, voor Hij de laatste keer met zijn leerlingen het paasmaal neemt, van dat dienstbaar gezag een teken stelt en daarin tevens de onderlinge gemeenschap tot uitdrukking wil brengen: zoals een slaaf wast Hij hen de voeten. Dit teken wordt ieder jaar op Witte Donderdag door de overste van haar communiteit herhaald. Op voorschrift van Donche gebeurt het traditiegetrouw ook op het betekenisvolle moment dat de algemeen overste een novice opneemt in de gemeenschap van medezusters en in het leven van de congregatie.

Allen willen wij steeds gedenken dat wij in onze communiteit en congregatie er zijn voor elkaars en voor andermans geluk. Stichter Donche verwoordt dit aan de zusters van zijn tijd voor wat het omgaan met schoolkinderen betreft, in de brief van 18 november 1831 aldus:
‘De liefde die gij malkanderen moet toedragen, moet voor noodzakelijk gevolg ook invloeijen opzigtelijk de kinderen’

Ook vandaag trachten wij liefde uit te dragen en staan wij als apostolische religieuzen ten dienste van anderen. Onze zustergemeenschap is er voor de grotere mensengemeenschap en ons apostolaat wil gemeenschap vormen naar binnen en naar buiten. Zo willen we ten slotte ook onze gemeenschap en verbondenheid met heel de schepping beleven. Door natuur en milieu te respecteren, door gerechtigheid en vrede in kleine en grotere kring te behartigen, willen we voor mensen van nú en van de toekomst een gezond en gelukkig leven opbouwen.

Naar de toekomst toe

Wie zijn leven aan Jezus’ woorden en daden waagt, kan ervaren dat Zijn boodschap gelukkig maakt. Overal en altijd kunnen mensen door Hem worden aangesproken en op die aanspraak kunnen zij op verschillende manieren ingaan. Zij kunnen ook langs verschillende levenswijzen ervaren
wat heil in Jezus betekent. Er zijn vandaag nog jonge mensen die via het ‘religieuze leven’ door Jezus worden geboeid. Voor hen achten wij het nodig mogelijkheden te scheppen waarbij zij ervaren wat ‘religieuze toewijding’ betekent, zodat zij vormen vinden om die toewijding hedendaags te beleven.

Bij dit aanbod wordt vertrokken van de eigen geaardheid van elke persoon en getracht in te spelen op wat ieders ontplooiing vereist. Het is de bedoeling dat de kandidate haar positieve kanten zou kennen en ontwikkelen, en ook zonder rancune eigen beperktheden leert inzien en aanvaarden.
Dat ze door bewuste inzet en gebed meer zichzelf wordt. Dat ze mag vatten wat de evangelische raden voorhouden en tot de bevinding kan komen of die voor haar een weg zijn naar waarachtige levensvervulling.
De kandidate wordt daarenboven opgenomen in een gemeenschap met andere kandidaten of jongere zusters, opdat ze zou ervaren wat gemeenschapsleven vraagt en biedt. Samen bidden met het woord van de Bijbel en met dagelijkse realiteit; in de praktijk van alle dag, door wel en wee, de gemeenschap helpen dragen; en op bepaalde tijden vanuit die gemeenschap een apostolaatsopdracht waarnemen, laten ondervinden wat leven in een apostolische gemeenschap inhoudt. Mede vanuit onze spiritualiteit willen we de kandidate laten onderscheiden of zij in het geheel van zulke levenswijze gelukkig kan zijn en of zij daarin Gods wil kan herkennen.

Wellicht zijn er aansluitend bij onze congregatie nog andere wijzen van religieus engagement die tot op heden niet uitgekristalliseerd zijn, maar waarvoor wij de weg vooraf niet willen blokkeren. Wij kennen de toekomst niet… en het verleden dat in dit boek werd beschreven en dat wij bij het 175-jarig bestaan van onze congregatie dankbaar gedenken, heeft zijn tijd gehad en is voorbij. Het keert niet weer. Wij klampen er ons ook niet aan vast. We leggen het neer in de schoot van Gods liefde en barmhartigheid en hopen dat het op een of andere manier zal verder leven in de wereld van morgen. Wij zijn ervan overtuigd, dat de christelijke inspiratie in de loop van de tijd allerlei wijzigingen in haar uiterlijke vormgeving kan ondergaan, maar dat ze, voor zover ze authentiek is, in de kern niet wordt aangetast. Wij geloven dat een authentieke christelijke inspiratie, creatief naar de toekomst, nieuw leven kan ontwikkelen ‘tot meerdere eer en glorie van God’ en tot waarachtig geluk van mensen.

Zr Beatrijs Verhaert