Geschiedenis

In 1820 begint te Vorselaar een ‘armenschool’. Mevrouw Regina della Faille, gravin van de Werve de Vorselaar, zag de nood van de plaatselijke bevolking en wou iets doen om het lot van de kinderen en vooral van de jonge meisjes materieel en zedelijk te verbeteren.
Zij zocht raad en bezieling bij priester Lodewijk Donche voor de oprichting van een leerwerkschool.
In Antwerpen leert Donche mevrouw de gravin kennen. De gravin ontmoette op haar beurt in Donche een talentvolle persoonlijkheid, die zich in zijn leven voluit ten dienst stelde van de Kerk tot Gods eer en glorie, een man die zich met een groot hart inzette voor armen en misdeelden in de samenleving. Bij hem kon mevrouw de gravin haar plannen voorleggen voor de oprichting van de school te Vorselaar en voor de bezieling van de religieuze gemeenschap die zij verhoopte voor haar schooltje.

Op 10 november 1819 kocht gravin della Faille, geholpen door andere weldoeners, een woning, een tweewoonst in de dorpskom van Vorselaar, met de bedoeling er een leer-werkschool voor volkskinderen op te richten. Zijzelf zorgde voor alle materiële benodigdheden die deze stichting vereiste.

Op 28 juni 1820 komen dan de eerste ‘meesteressen’ te Vorselaar bij mevrouw de gravin aan. Het zijn twee juffrouwen uit Tilburg, een textielstad in Nederland, Maria Touwenberger is 31 jaar en Petronella Backers 24 jaar. Op 5 juli wordt de school in de Vorselaarse dorpskom geopend. Het was echter de bedoeling van de stichteres de school toe te vertrouwen aan een gemeenschap van religieuzen, maar tijdens het Hollands bewind was dat niet mogelijk.

In 1822 schrijft Donche dan de eerste ‘Regelen der Meesteressen in d’armenschool te Vorselaar’, waarin hij hun levenswijze omschrijft en richtlijnen geeft voor de schoolhouding. Bovenaan die regel plaatst hij de jezuïetenleuze: ‘Tot meerder eer en glorie van God’ die de drijfveer van het hele opzet uitdrukt.
Als het aantal meesteressen toeneemt sticht Donche nieuwe scholen op vraag van parochiepriesters of van adellijke families uit het dorp. Als voorwaarde stelde Donche dat er een behoorlijke huisvesting moest voorzien zijn voor de meesteressen.
De onafhankelijkheid van België in 1830 betekende ook vrijheid van onderwijs en van vereniging. Donche bereidde nu de kerkwettelijke erkenning van zijn ‘congregatie der christelijke scholen’ voor. Hij breidt de ‘Regelen der meesteressen’ uit met typisch kloosterlijke bepalingen tot een echte leefregel.
Evenals bij de jezuïeten zijn onderwijs en ziekenzorg de belangrijkste apostolaatsopdrachten van de zusters, maar zoals de naam van de congregatie het aangeeft ligt de klemtoon op onderwijs. Donche vermeldt ook in zijn regel de patroonheiligen van de congregatie: nl. O.L.Vrouw van de Christelijke Scholen, de H.H.Engelbewaarders en de H.Jozef Calasanz.

Op 13 mei 1834 spreken 18 ‘meesteressen’ hun kloostergeloften uit in de parochiekerk van Vorselaar, in aanwezigheid van Mgr.Sterckx, aartsbisschop van Mechelen, die op de vooravond Donche aanstelde tot algemeen overste van de nieuwe erkende congregatie. Er waren toen al drie gemeenschappen gesticht: Kampenhout, Deurne-centrum en Kontich. In 1843 kreeg Donche de toelating terug in te treden bij de jezuïeten te Drongen. Hij was 74! Hij bood zijn ontslag aan als algemeen overste en het bestuur van de congregatie werd in handen gegeven van moeder Victoria.

 In 1844  werd zr. Aldegondis  huisoverste te Vorselaar. Bij zijn vertrek formuleerde Donche twee wensen:
‘Groei zo snel mogelijk in aantal en respecteer de Regel.’ Donche overleed in 1857, op 88-jarige leeftijd te Leuven.

De aangroei van leden bracht mee dat het eerste huis al vlug te klein werd. In 1845 werd het vergroot en in 1856 werd er een bidplaats tegenaan gebouwd.
De eerste vijftig jaren kent de congregatie een eerder trage groei.

In 1870, na 50 jaar, telt de congregatie 9 scholen en 87 zusters. Maar van dan af is er een sterke aangroei: in 1880 zijn er al 150 zusters, in 1890: 262. Die ongewone groei heeft te maken met de schoolstrijd tussen liberalen en katholieken en de ongelukswet van 1879, waardoor het openbaar onderwijs wordt onttrokken aan het kerkelijk gezag. De katholieken worden door de kerkelijke overheid aangemaand zelf scholen op te richten; religieuzen worden door parochiepriesters en adellijke families in Vorselaar gevraagd als onderwijzeressen.
Aan alle aanvragen kan zelfs niet worden voldaan.

De wet van 1884, die de schoolstrijd beëindigde, hield voor, dat de helft van het onderwijzend personeel gediplomeerd moest zijn, opdat een school aangenomen en bezoldigd kon worden. Een groot aantal zusters wordt dan naar normaalscholen gezonden in Herentals, Sint Niklaas en O.L.V. Waver om het vereiste diploma te behalen.

In 1902 richt de congregatie dan een eigen normaalschool op om de eenheid in de Vorselaarse scholen te bevorderen langs opvoedkundige en vakkundige vergaderingen en door uitgaven van handboeken. De vernieuwing van de godsdienstdidactiek komt zo tot stand en wordt vanaf het tweede kwartaal van de 20e eeuw onder het bestuur van eerwaarde moeder Severine ook uitgedragen tot buiten de eigen scholen.

De handleidingen bij de godsdienstlessen uitgegeven door de Vorselaarse werkgroep werden jarenlang dankbaar gebruikt en erg gewaardeerd, zelfs tot ver over de landgrenzen heen…
Op gebied van onderwijs hebben onze zusters baanbrekend werk verricht.

Voor de oprichting van de normaalschool was er gebrek aan klas- en studielokalen.
Een nieuw gebouw, het huidige hoofdgebouw, werd in 1903 opgetrokken in functie van de normaalschool en als woonst voor het groter aantal zusters.

In 1905 was het gebouw voltooid en werd heel het nieuwe complex plechtig ingezegend.
Aanvankelijk voorbehouden aan de zusters, werden vanaf 1944 ook leke-leerlingen aanvaard. Zij verbleven in het internaat aan de school verbonden.
Naast het lager- en kleuteronderwijs wordt door de congregatie ook het voortgezet onderwijs opgericht: huishoudscholen worden vakscholen en beroepsscholen.

Ondertussen werd er ook gezorgd voor een aangepaste woning voor onze zieke medezusters. In 1900 werd het ziekenhuis van Westmalle geopend onder het bestuur van eerwaarde moeder Angela.

Tussen 1950-1960 worden verschillende humaniora ’s opgericht.
Om het onderwijzend personeel voor het secundair onderwijs te vormen richt de congregatie ook regentaten op voor algemene vakken, voor snit en naad, handel, en landbouwhuishoudkunde. Een aantal zusters gaan ook studeren aan de universiteit.

De eerste 150 jaar van haar bestaan heeft de congregatie bijna uitsluitend in functie van het onderwijs haar apostolaatsterrein uitgebreid.
Tot hiertoe was heel het leven in gemeenschap van onze zusters gericht en geordend in functie van het onderwijs. ’s Morgensvroeg, voor men naar de klas ging, moest er heel wat tijd besteed worden aan de dagelijkse gebeden.

Onderwijs en opvoeding van de volksjeugd en christelijke geloofsverkondiging blijven tot op vandaag een essentieel deel van de zending van de congregatie.
De vergrijzing van de congregatie maakte dat ook ouderenzorg moest uitgebouwd worden. 

Tegelijk ging er veel zorg naar de begeleiding van directies en personeel van de scholen. De laatste jaren gebeurt de opvolging van de scholen in samenwerking met leken.

Leken hebben een beleidsfunctie en participeren nu ook sterk in het beheer van de onderwijsinrichtingen en van ouderenzorg binnen de congregatie.
In het ‘opvoedingsproject’ van de Zusters der Christelijke Scholen staat de visie uitgeschreven die zin geeft aan en de richting bepaalt van het samenleven en leren op school. Het is een belangrijk document bij de aanwerving van nieuwe personeelsleden voor de scholen.

Tot ongeveer 1960 waren praktisch alle zusters, van de morgen tot de avond werkzaam in het onderwijs, in een school aan het klooster verbonden.

De congregatie kende haar hoogste bloeipunt wat het aantal leden en kloosters betreft in 1959: er zijn dan 148 kloosters en 1556 zusters;

1937 was een piekjaar: 57 kandidaten bieden zich aan, gemiddelde leeftijd 19 jaar.

Vanaf 1960 vermindert het aantal leden jaarlijks. In België waren de laatste intreden in 1990.

II Vernieuwing en aanpassing.

Het Tweede Vaticaans Concilie 1962-1965 roept heel de kerk en dus ook de religieuzen op tot een aangepaste vernieuwing.
In het algemeen kapittel van 1969 en 1971 wordt er in de congregatie, op beleidsvak, bijzondere aandacht besteed aan de uitbouw van sociaal en pastoraal werk om aan het charisma van Donche concreet gestalte te geven in deze tijd.
Er wordt gezocht naar de essentie van het apostolisch-religieuze leven: vernieuwd gebedsleven en aangepast gemeenschapsleven. Er komt meer pluriformiteit in de levensstijl en iedereen wordt opgeroepen tot medeverantwoordelijkheid, zusters mogen mee denken en hebben hun inbreng bij te nemen beslissingen.

Er ontstonden dan ook enkele nieuwe projecten, kleine gemeenschappen in een huurhuis in de rij, los van de school, met een eigen vooropgezet project: bv.

– een gemeenschap die jongeren regelmatig samenbrengt rond geloven (Berchem D.B )

– een gemengde gebeds-gemeenschap (Montenau)

– gemeenschappen in onthaal- en bezinningshuizen (Meise, Ter Dennen, COPAL…)

– gemeenschappen tot ondersteuning van de parochiegemeenschap en sociale diensten

De congregatie wordt nu ook heel concreet missionair:

– in 1968 vertrekken onze eerste zes zusters naar Venezuela.

– in 1972 vertrekken vier zusters naar Bokote Zaïre voor de oprichting van een normaalschool

– in 1996 gaan vanuit Venezuela, zusters werken in de Dominicaanse Republiek

Vanuit bestaande gemeenschappen zijn er zusters werkzaam in de sociale en pastorale sector en doen er meestal vrijwilligerswerk in de Poverello, in Begeleid wonen, in de Ark, in asielcentra…

Ook in onze rusthuizen werken vele zusters als vrijwilligster in dienst van onze zieke en oudere medezusters.

In 1979 begon Huize Nazareth in Lier, in 1981 Eikendal in Kapellen-Hoogboom.

Veel gepensioneerde zusters doen ziekenbezoek en zijn ingeschakeld in parochiale bewegingen. Heel deze waaier van activiteiten is geïnspireerd door dezelfde bewogenheid, de bewogenheid van Jezus en het charisma van stichter Donche.

‘Jezus had medelijden met de schare’

‘Tot meerder eer en glorie van God.’

Als jezuïet spoort Donche ons aan, volgens ignatiaanse geest, in gebed en in gesprek met de oversten en medezusters te onderscheiden, waar en hoe wij vandaag met onze mogelijkheden én beperktheden op actuele noden kunnen ingaan en mensen nabij kunnen zijn.

Zo is elk apostolaat dat een zuster doet ook een zending vanuit de congregatie, die door allen mee gedragen wordt. Door gebed en offer ondersteunen onze zieke en bejaarde medezusters het apostolaat van de congregatie. Zo blijft ook hun leven apostolisch vruchtbaar en worden zij niet afgeschreven omdat ze niet meer kunnen presteren.

Integendeel het verdiept de onderlinge samenhorigheid.