Lodewijk Vincent Donche

Lodewijk Vincent Donche

1769 – 1857

Lodewijk Vincent Donche werd in 1769 te Brugge geboren in een welgestelde en vrome familie. Hij ontving een zeer verzorgde en door-christelijke opvoeding. Zijn eerste middelbare studies deed hij aan huis onder leiding van eerwaarde pater Fonteyne, ex-jezuïet. Verder studeerde hij aan het college te Temsche, aan de universiteit van Douai en aan het seminarie te Brugge.

Priester gewijd te Keulen in 1795, was hij korte tijd onderpastoor in Sint Gilles te Brugge en in Watervliet. Tijdens de Franse revolutie verrichtte hij wonderen voor Gods Kerk en het Heilig Geloof – redde het relikwie van het Heilig Bloed en oefende als diocesaan missionaris over geheel Vlaanderen –  in het geheim – zijn priesterlijke bediening uit.

Zoekend naar een meer intens geestelijk leven, trad hij in 1802, te Parijs, in de Sociëteit der Paters van het Geloof – predikte als dusdanig missiën in Normandië, was leraar in het college te Belley en verder in dit van Roeselare, totdat het gezelschap van het Geloof in 1807 door Napoleon werd ontbonden en de paters uiteengedreven.

Door zijn bisschop Mgr. De Broglie aangesteld tot missionaris bleef hij werkzaam in Kortrijk.

Doch, belasterd, achtervolgd en ziek gevallen werd hij naar Gent teruggeroepen, aangesteld tot onderpenitencier, en verheven tot eere-kanunnik van de kathedraal.

Opnieuw achtervolgd omdat hij zijn Bisschop op de predikstoel openlijk had verdedigd tegen Napoleon, vluchtte hij naar Kortrijk en verder buiten het bisdom, naar Doornik.

Van hieruit reisde hij heel het land door om geld in te zamelen tot ondersteuning van de gevangen paus Pius VII en de verspreide kardinalen – en om hun correspondentie te verzekeren. Op de smeekbede van de gevangen seminaristen van Gent, te Wezel, reisde hij naar de Rijn om hen bij te staan en te troosten.

Doch verhinderd hen te bereiken omwille van de vluchtende legers van Napoleon, oefende hij in deze legers het ambt uit van aalmoezenier. Na de val van Napoleon keerde kanunnik Donche naar Gent terug en verzaakte edelmoedig aan de voorstellen van Mgr. De Broglie, die hem voor goed aan zijn bisdom wilde hechten. Hij trad in het noviciaat door pater Fonteyne geopend te Rumbeke, nog voor dat Pius VII openlijk de jezuïetenorde had hersteld. Na korte tijd werd pater Donche genoemd tot superior van het jezuïeten-missiehuis te Amsterdam.

Hier onderscheidde hij zich door zijn indrukwekkende predicaties en publiek catechismusonderricht. Door zielenijver vervoerd, onderlijnde hij wellicht al te sterk het protest van Mgr. De Broglie tegen de grondwet van Willem I.

Reeds was het noviciaat van Rumbeke door de koning uiteengedreven en Mgr. De Broglie met gevang bedreigd. Pater Donche voorzichtigheidshalve, werd naar België geroepen. Residerend in het klooster van juffrouw Paridaens te Leuven bleef hij daar de jezuïetenorde vertegenwoordigen, zoals pater Bruson dit deed te Gent. Zij waren gemachtigd leden te aanvaarden en hen de weg te wijzen naar Zwitserland, waar het noviciaat was overgebracht. In januari 1818 vestigde pater Donche zich in Antwerpen.

Na een algemene missie in het stad, die zeer veel ophef maakte, trok pater Donche weer de aandacht van het Hollands bestuur op zich. Onder dwang van koning Willem, werd hem door de aartsbisschop van Mechelen, de prins de Méan, het biechten en prediken ontzegd – een weinig later ook het catechismusonderricht.

Het volgend jaar in november 1819, om redenen buiten zijn wil en die van zijn overste, nam pater Donche ontslag uit de Orde en trok zich terug in de eenzaamheid op een villa te Itegem te 1825 en later in Bautersemhof te Zanthoven tot 1843.

 

Bron: archief vzw Zusters der Christelijke Scholen